Olieprijs

Wie wil weten wat de wereldeconomie doet in 2006, moet een idee hebben over de olieprijs. De meeste marktexperts van de Londense City voorspellen dat die prijs niet fors zal zakken, maar een verdubbeling zit er evenmin in. '50 à 65 dollar per vat', luidt de consensus. Daarmee kan de inflatie binnen de perken blijven. 2006 lijkt dus een relatief goed jaar te worden voor de wereldeconomie.

Normaal hebben we het niet zo vaak over onze waardering voor zuurstof. Het spul is gratis en overal. Pas wanneer je schaarste zou introduceren en de prijs langzaam op zou laten lopen, zou blijken hoe belangrijk we de zuurstof vinden. Vanaf een bepaald prijsniveau zouden we het nergens anders meer over hebben. 'Wat denk jij - hijg hijg - van de zuurstofprijs? Komt er een einde aan de rally?'

Zo is het ook met olie. Toen de olieprijs eind jaren 90 rond 10 dollar per vat noteerde en langzaam begon te stijgen, hoorde je veel theorieën over het betrekkelijke belang van de fossiele brandstof voor de moderne wereldeconomie. De belangrijkste bedrijven - Microsoft, AOL Time Warner, Amazon - handelden in diensten, beelden of ideeën, niet in fysieke producten die met de hulp van paardenkrachten in elkaar gezet moesten worden. Bij Bill Gates in Seattle moet het licht 's ochtends aan en in de winter de verwarming. Daar is geen eigen energiecentrale voor nodig, zoals grote staalfabrieken die kennen.

Bovendien: de wetenschap stond niet stil. Er werd een kunstmatig eiland in de Noordzee gepland, volgezet met windmolens. In een baan rond de aarde zouden kilometersgrote zonnepanelen hun milieuvriendelijke werk doen. Olie had zijn tijd gehad. In de woorden van de Britse autojournalist ('Top Gear') en milieuhater Jeremy Clarkson: 'De steentijd is ook niet geëindigd wegens gebrek aan steen.'